|
Op een bepaald moment gaat het kind woordjes zeggen in “zijn eigen taal”.
Verbeter het kind niet als het woord fout wordt gezegd, maar zeg:
” ja, dat is een auto”, als uw kind ”broem” zegt.
Zeg de woorden zelf goed. Zeg zelf dus niet “broem” tegen een auto.
Maak ook niet overal verkleinwoorden van:
Uw kind heeft handen en geen handjes. (Voor hem of haar zijn het geen kleine handjes). We gaan naar huis en niet naar huisje toe.
Als u de woorden goed zegt en een juiste zinsopbouw hebt, zal uw kind het ook goed gaan zeggen. |