ontwikkeling kind

 

De ontwikkeling van taal en spraak bij kinderen. Baby, peuter en kleuter.


Ook al is uw baby nog erg klein, u kunt al wel bezig zijn met de taalontwikkeling. Praat veel tegen uw baby. Doe het rustig en langzaam. Een baby heeft tijd nodig om te kunnen verwerken wat u zegt, zodat het ongeveer 20 seconden duurt voordat hij/zij reageert. Het voorlezen van boekjes is een leuke manier om de taalontwikkeling te stimuleren.

Ga met uw kind liedjes zingen. U kunt hier al mee beginnen als uw kind ong. 9 maanden is.

Als uw kind iets ouder wordt, kunt u liedjes gaan zingen en er bewegingen bij maken (b.v. zo gaat de molen).
U zingt en doet de bewegingen en uw kind probeert het na te doen. Ook muziekinstrumentjes, zoals trommeltjes, zijn leuk om te gebruiken. (Op deze manier bent u ook met de motoriek bezig).

Op een bepaald moment gaat het kind woordjes zeggen in "zijn eigen taal". Verbeter het kind niet als het woord fout wordt gezegd, maar zeg: "ja, dat is een auto", als uw kind "broem" zegt. Zeg de woorden zelf goed. Zeg zelf dus niet "broem" tegen een auto. Maak ook niet overal verkleinwoorden van: Uw kind heeft handen en geen handjes. (Voor hem of haar zijn het geen kleine handjes). We gaan naar huis en niet naar huisje toe.
Als u de woorden goed zegt en een juiste zinsopbouw hebt, zal uw kind het ook goed gaan zeggen.

Als het kind ongeveer anderhalf jaar oud is, kunt u hem/haar eenvoudige vragen stellen, zodat het kind geprikkeld wordt om antwoord te geven. Verder zijn lezen en liedjes zingen nog steeds erg belangrijk.
Ook kunt u met tellen beginnen. Als u de tafel dekt en uw kind helpt u hiermee, telt u rustig en duidelijk terwijl u de borden op tafel zet. Ook boekjes kunnen hierbij handig zijn. Er zijn leuke telboekjes in de winkel of de bibliotheek.

Vanaf ongeveer 3 jaar gaan de kinderen woorden in het meervoud zetten. Als uw kind geen woorden in het meervoud gaat zeggen, kunt u dit oefenen door samen plaatjes te gaan kijken (b.v. de telboekjes). U wijst een plaatje aan en zegt: "dit is een poes en op het volgende plaatje, waar meerdere poezen op staan, zegt u: "dit zijn twee poezen". U bent dan met meervoud-begrippen bezig en ook met het tellen.
Vanaf deze leeftijd kunt u ook met tegenstellingen beginnen:

- groot-klein
- lang-kort
- dik-dun
- hoog-laag

Er zijn allerlei manieren om dit te oefenen. Ikzelf gebruik hier vaak boekjes voor. De plaatjes zijn meestal erg duidelijk. Ook in het dagelijks leven kom je veel tegenstellingen tegen:

- papa is groot, ik ben klein
- het touw is dik, het draad dun
- deze trui heeft lange mouwen en deze heeft korte mouwen
- op de ladder sta je hoog, op de grond sta je laag.

T. Klein-Huisman.

Volg ons

Top ↑